In Nederland, in een wetenschappelijk onderzoek, is onderscheid gemaakt tussen 2 sociaal-culturele “families”.

Deze term familie-gelijkenis, zoals de Oostenrijks-Britse filosoof Ludwig Wittgenstein die gebruikt heeft, als aanduiding van een groep, waarvan de leden veel kenmerken gemeen hebben, maar geen kenmerk bij elk groepslid apart wordt aangetroffen.

Hoger opgeleiden hebben vaak universalistische opvattingen. (Universalisme is een overtuiging die stelt dat een groep of institutie niet buitengewoon of exceptioneel is ten opzichte van een andere groep. De groep kan een land, cultuur, wetgeving, beweging, ideologie of periode zijn, maar ook de mens tegenover andere dieren en de Aarde tegenover het heelal.)

De ene familie bestaat overwegend uit mensen die redelijk positief staan tegenover open grenzen, andere culturen en het toelaten van immigranten.

Je zou ze in dat opzicht universalisten (alzijdigheid) kunnen noemen, omdat ze een meer universele opvatting hebben van rechtvaardigheid en staatsburgerschap.

Vaak zijn ze ook voorstander van de Europese eenwording, al is niet iedereen overtuigd van de Euro, zijn in overwegende mate hoger opgeleid – ze zijn ook universitaristen - en hebben vaak internationale ervaring en ruime sociale netwerken.
Niet alle leden van deze familie hebben hoge inkomens, maar ze beschikken wel allemaal over veel sociaal en cultureel kapitaal en politiek zelfvertrouwen.

Ze werken vaak in creatieve beroepen, in de sociale of onderwijssector of bij internationale bedrijven en wonen in de universiteitssteden, in ‘jaren dertig’ wijken, in tuindorpen en in de 19e eeuwse wijken van de grote steden.

In deze familie houdt men van ‘hogere’ cultuurvormen en heeft men een tamelijk ingetogen - cerebraal-gevoel voor humor.

Lager opgeleiden zijn eerder chauvinistisch.

De leden van deze “andere familie” vragen vooral aandacht voor de nadelen van open grenzen en immigratie.

Je zou ze chauvinisten kunnen noemen, omdat ze een meer lokale, particularistische invulling hebben van rechtvaardigheid en staatsburgerschap.

Voor hen zijn niet alle (wereld)burgers gelijk en is het lidmaatschap van lokale gemeenschappen relevant voor de toedeling van rechten en sociale voorzieningen.

Zij vinden vaker dat de sociale voorzieningen alleen toegankelijk moeten zijn voor leden van de nationale gemeenschap.

Ook staan ze sceptisch tegenover de Europese eenwording en de Euro.

Chauvinisten waarderen nationale en lokale gewoonten, cultuur en tradities en zijn bang dat die verloren zullen gaan door de komst van migranten en de opmars van de EU, zijn in overwegende mate lager en middelbaar opgeleid en beschikken niet over hele grote netwerken of over veel sociaal en cultureel kapitaal.

Ze voelen zich veelal onzeker over de grote veranderingen in ons land en in de steek gelaten door de politiek en wonen in krimpgebieden, in de voormalige groeikernen, in Vinexwijken en in de naoorlogse arbeiderswijken.

In deze familie wordt veel en hard gelachen en men houdt van Nederlandse cultuur en muziek en van gezelligheid.

Klik hier om naar de vorige pagina te gaan

De meerderheid zit daarentegen in het midden.

In Nederland is er nog geen sprake van een gepolariseerd landschap zonder overlap of tussenposities.

Tussen beide genoemde (hogere en lagere) families bevindt zich de meerderheid van de bevolking, die gematigde standpunten inneemt en op sommige kenmerken overlapt met de ene familie en op andere met de andere.

Ook is het medialandschap, anders dan bijvoorbeeld in de Verenigde Staten, nog niet scherp verdeeld.

Het NOS journaal wordt door alle groepen bekeken. Anders dan tijdens de verzuiling is er ook (nog) geen expliciete politieke en maatschappelijke zelforganisatie op basis van sociaal-culturele of opleidingslijnen, laat staan dat er sprake is van “culture wars” zoals in de VS.

De scheidslijn is niet heel uitgesproken. Er zijn weinig organisaties die zich expliciet op hoger of op lager opgeleiden richten. Daarvoor is de tegenstelling te ongemakkelijk.

Identificatie langs opleidingslijnen is in ons land evenmin heel sterk, al is deze groter onder hoger- dan onder lager opgeleiden.

De Vlaamse socioloog Bram Spruyt constateerde eerder al dat laaggeschoold een bezoedelde categorie is, waar mensen het liefst van wegblijven.

Ze vinden er geen positieve identiteit in en deze gevoeligheid weerhoudt mensen ervan om zich in de opleidingsindeling te plaatsen.

In een meritocratische samenleving (meritocratische idealen zijn verschillen tussen mensen wat betreft hun maatschappelijke positie, inkomen en sociaal netwerk gerechtvaardigd zolang iedereen, ongeacht afkomst, dezelfde kansen krijgt om zijn of haar individuele capaciteiten te ontwikkelen.) is een laag opleidingsniveau eerder een bewijs van onvermogen dan een positieve bron van identificatie.

Hogeropgeleiden, op hun beurt, voelen tot nu toe een zekere gêne, om zich op hun opleidingsniveau en goede smaak te laten voorstaan, al zijn ze zich zeer bewust van de verschillen.

Er is ook geen grote emotionele identificatie met de eigen opleidingsgroepen. Men is niet trots om tot de lager- of hogeropgeleiden te behoren, zoals men in Engeland proud to be working class kan zijn.

Ook is er geen sterke identificatie met het universalistische of met het particularistische volksdeel. Hoogstens zijn sommigen ‘trots op Nederland’.

Maatschappelijke tegenstellingen zijn op zich niet erg, ze geven dynamiek aan de samenleving.

Er is pas reden tot zorg, wanneer de tegenstellingen in verschillende domeinen parallel gaan lopen – politicologen spreken dan van overlapping cleavages (Splijting, kloof of afscheuring).

Wanneer culturele tegenstellingen, sociale segregatie, sociaal-economische ongelijkheden en partij-politieke tegenstellingen samen gaan vallen, is er het risico van centrifugale krachten.

Een verschil in inkomen en vermogen kan men temperen door financiële overdracht, maar een verschil in opleidingsniveau is vrijwel onvermijdelijk, omdat aanleg en talent zich niet laten herverdelen.

Sociale vermijding is dan een logische coping-strategie. De gelegenheden voor sociale vermijding nemen toe, terwijl tegelijkertijd de krachten die menging bevorderen in sterkte lijken af te nemen.

Belangrijke vragen voor de komende jaren zijn daarom: wat er gaat gebeuren met de grote middengroepen?

Blijven die een zwijgende meerderheid vormen die de zaak bij elkaar houdt of valt het midden uiteen en ontstaan er twee duidelijk gescheiden blokken, zoals in de VS onder de politieke geëngageerde burgers?

Ontstaan er nieuwe plekken van ontmoeting?

Tijdens de verzuiling waren instituties als kerken, scholen en leger, dankzij de dienstplicht, belangrijke plekken van ontmoeting tussen lager en hoger opgeleiden binnen en soms ook tussen de zuilen.

Ontwikkelen zich equivalenten hiervan die er voor zorgen dat de leefwerelden van de verschillende families elkaar blijven raken en dat men weet heeft van en wellicht ook begrip heeft voor elkaars zorgen en belangen?

Bron: Door Mark Bovens, Paul Dekker en Wil Tiemeijer, 08-11-2014