Afgestorven planten worden meestal snel door bacteriën en schimmels afgebroken tot humus en nog kleinere bestanddelen.

Wanneer plantenresten onder water komen te liggen, in een moeras bijvoorbeeld, kunnen bacteriën en schimmels door zuurstofgebrek de plantenresten niet meer goed afbreken.

De plantenresten hopen dan op.

Zo kunnen dikke pakketten veen ontstaan, waarin takjes, bladeren en soms hele stammen nog duidelijk herkenbaar zijn.

Als het veen later wordt afgedekt door zand en klei, kan het onder invloed van druk en temperatuur inkolen: het veen wordt omgezet in bruinkool.

Nemen druk en temperatuur verder toe dan verandert de bruinkool in steenkool.

Veen, bruinkool en steenkool zijn ontstaan uit dode planten.
De aanwezigheid van koolstof (C; afkomstig uit de planten) maakt ze geschikt als brandstof.

Klik hier om naar de vorige pagina te gaan

Als een veenpakket onder hogere druk en temperatuur komt te staan is er sprake van inkoling.

De druk wordt geleverd door zand- en kleilagen die boven op veenpakketten worden afgezet. Zij duwen de veenlagen in elkaar en persen er water uit, waardoor de koolstof uit de plantenresten dichter opeen komt te zitten.

Als gevolg van het 'begraven' van het veenpakket komt deze steeds dieper te liggen.

Met de diepte stijgt ook de temperatuur.

Hierdoor wordt het veen omgezet in bruinkool (ligniet).

Doordat water en koolstofdioxide vrijkomen bij dit proces neemt het koolstofgehalte verder toe van 60 % in veen tot 70 % in bruinkool.

De hoeveelheid water in bruinkool is afgenomen tot minder dan 25 %.

Steenkool bevat nog maar ongeveer 10 % water en heeft een nog hoger koolstofgehalte dan bruinkool.