Lente, Spring, Frühling, Jaro, Var,

Ilkbahar

Printemps, Primavera, Wiosna,


Kenmerken van de lente

  1. Het is al wat langer licht.

  2. De zon heeft al meer kracht en de temperatuur kan best al heel aangenaam zijn.

  3. De knoppen van bomen en struiken gaan uitlopen en je ziet overal bloesem.

  4. Je ziet veel knol- en bolgewassen, zoals krokussen, narcissen, tulpen en hyacinten.

  5. Dieren komen uit hun winterslaap of winterrust.

  6. Vogels gaan nestelen en broeden.

  7. Er worden veel jonge dieren geboren.


In de lente zie je veel bloemen boven de grond komen. Vooral de knol- en bolgewassen,zoals de krokus, tulp, narcis en de hyacint. Aan de bomen komen knoppen, die belangrijk zijn voor de groei van nieuwe vruchten.

Veel vogels die in de herfst naar warmere landen in het zuiden van Europa en Noord-Afrika zijn vertrokken keren in de lente weer terug. Zoals de zwaluw, ooievaar, de nachtegaal en de koekoek. Omdat de vogels hier in de zomer 'te gast' zijn, noemen we ze zomergasten. Vogels uit Scandinavië die in de winter hier te gast zijn geweest (wintergasten), omdat het hier niet zo koud is als in het hoge noorden, keren ook weer daar naar terug, omdat het daar ook weer warmer wordt. Voorbeelden hiervan zijn de kleine zwaan, de wilde zwaan, de rotgans en de koperwiek.

De dieren die in de winter een winterslaap of winterrust hebben gehouden worden in de lente ‘wakker’ en actiever. Reptielen en amfibieën zoals de kikkers en padden, die diep zaten weggekropen in de modder gaan op zoek naar een vrouwtje en naar een plek om hun eieren te leggen (bijvoorbeeld de paddentrek*).

Dieren die een winterrust hebben gehouden, waren wel weggekropen in een hol, maar zijn tussendoor wel af en toe wakker geworden om wat te eten.

Deze dieren worden in de lente helemaal wakker. De eekhoorn is hiervan een goed voorbeeld.

Ook de echte winterslapers zoals de egel, adder en de vleermuis worden wakker, net zoals de insecten

Bij veel verandert de vacht naar een dunnere zomervacht.

In de lente gaan de meeste vogels broeden en krijgen veel dieren krijgen jongen.

Dit komt omdat er in het voorjaar weer meer voedsel te vinden is. Dan hebben jonge dieren een betere kans om te overleven.

Veel insecten hebben de winter overleefd als ei, pop, of als volwassen dier, diep weggekropen voor de kou.

Van sommige insecten is alleen de koningin overgebleven, zoals de wesp.

Als de lente begint komen ook weer de insecten. Ze zijn ook hard nodig.

Denk maar eens aan de bijen, die op zoek naar honing en stuifmeel veel bloemen bestuiven, zodat er later vruchten kunnen uitgroeien.




Klik hier om naar de vorige pagina te gaan

*Een pad is een amfibie, dat erg lijkt op een kikker. Ze zijn vaak groter en zwaarder dan kikkers, donkerder van kleur en soms giftig.

Padden hebben in tegenstelling tot kikkers een bobbelige huid, lompe lichaamsbouw en korte achterpoten waarmee ze meer mee lopen dan springen. In Nederland leven vijf soorten padden: de rugstreeppad, de vroedmeesterpad, de geelbuikvuurpad, de gewone pad en de knoflookpad. Gezonde padden kunnen 36 jaar worden. De paddentrek komt 1 keer per jaar voor. Bij de trek komen heel veel padden bij elkaar in een grote sloot waar ze hun eieren leggen. Meestal is dat de plek waar ze zelf volwassen zijn geworden. Als het kouder weer en regent komen de padden sneller dan met warmer weer. De padden trekken (zoals eerder gezegd) naar hun gebied, maar dat lukt niet zonder gevaren. De padden moeten vaak een drukke weg over, een spoor of iets dergelijks wat erg gevaarlijk is. De mannetjes hoeven meestal niks te doen. Zij zitten op de rug van het vrouwtje, daarom worden op sommige plaatsen emmers geplaatst. De padden vallen erin en, als er mensen komen, veilig naar de overkant.

Padden eten o.a. wormen, larven, spinnen, slakken en andere insecten. Als ze een lekker hapje zien, staren ze er geduldig naar en vangen hem dan met hun kleverige tong.