Agressief gedrag

Probleemstelling:

Hoe kan ik kinderen met agressief gedrag begeleiden?

Wat is agressief gedrag?:

Agressief gedrag is te onderscheiden in de volgende onderdelen;
- lichamelijke aanvallen op andere personen;
- indidrecte agressie zoals met deuren slaan / roddelen;
- verbale agressie zoals uitschelden;
- rancuneuze gevoelens tegenover anderen;
- achterdocht,projectie van eigen vijandigheid in anderen;
- geirriteerdheid, bij kleine dingen heftig reageren.

Factoren die agressief gedrag bevorderen;
- autoritaire omgeving; ouders, klas;
- klimatologische omstandigheden; hitte, overvolle gelegenheden;
- statusverlies in de groep;
- autoritaire persoonlijkheid van het kind; het agressief handelen neemt toeen met name daarwaar sprake isvan een sterk onderwerpende gezagsomgeving;
- impulsiviteit;
- verhoogd activeringsniveau, bijvoorbeeld irritatie.

Wanneer is agressief gedrag probleemgedrag?

Onder agressief probleemgedrag wordt vaak verstaan: ongehoorzaamheid, onaangepast gedrag, onbetrouwbaarheid, onberekenbaarheid, drift, grofheid, sadisme, vijandigheid, etc.

Agressief gedrag hangt af van beoordelingen en interpretaties van de betrokkenen.
Voor het vaststellen van agressief gedrag zijn een viertal criteria van belang
1. De frequentie
2. De duur
3. De omvang ( negatief gedrag in 1 situatie of meerdere, of 1 of meerdere vormen)
4. Gevolgen ( voor omgeving en voor het kind zelf)

Observeren: Om tot een goed inzicht te komen of een kind agressief gedrag vertoont is het belangrijk om het kind te observeren. Hiermee krijg je inzicht in de duur, frequentie en de omvang van het agressief gedrag.

Wat kun je doen om het agressieve gedrag van het kind te verminderen of op te lossen?

A Sfeer op school

1. Een goede sfeer op school: Positieve/ open sfeer, waarin je elkaar kunt vertrouwen. Een sfeer waarin iedereen weet wat zijn taak is en waar hij gemotiveerd aan werkt; een sfeer waarin iedereen graag samenwerkt. Goede sfeer binnen het team.
2. Een goed functionerend team: Voor de preventie van agressief gedrag is het erg belangrijk dat het team goed functioneerd. Hierdoor kunnen ze kennis en ervaringen uitwisselen en aanvullen, elkaar om raad vragen, elkaar helpen, bijspringen. Leerkrachten die zo samenwerken creëren een sfeer op school die enthousiasme opwekt en die zelfvertrouwen geeft. Kinderen voelen die sfeer aan.
3. Goed leiderschap van de direkteur: De directeur bepaalt in grote mate de sfeer op een school. De directeur kan het beste een democratisch hoofd zijn.

B Sfeer in de klas

4. Goede sfeer in de klas: De leerkracht dient zowel een goede relatie met de kinderen afzonderlijk te hebben als met de hele klas. De klas moet functioneren als een groep. Erg belangrijk is dat de leerkracht enthousiast lesgeeft, de kinderen verantwoordelijkheden geeft, complimenten geeft, het kind accepteert, het kind korte taken geeft, het kind weet te motiveren, structuur aanbiedt, consequent is, veiligheid biedt en signalen opvangt en interpreteert.
5. Samenwerking tussen kinderen: Samenwerking in plaats van competitie. Hierdoor kan ieder kind tevreden zijn over zijn eigen bijdrage en ontstaat er niet een groep "goeden"en "slechten", die minderwaardigheidsgevoelens hebben. Competitie verhindert ook de uitwisseling van ideeën, vriendelijkheid ten opzichte van elkaar en het leren werken in groepsverband.
6. Klassediscussies: Klasdiscussies zijn noodzakelijk in een goed functionerende groep. Het bevordert o.a;
- integratie van alle kinderen, ook de zondebokken;
- dat een agressief kind zijn gevoel voor eigenwaarde en zelfstandigheid ontwikkelt, omdat iedereen hetrecht heeft om zijn mening te geven en aan de andere kant naar andere kinderen moet luisteren;
- dat agressieve kinderen zich medeverantwoordelijk gaan voelen voor de gezamelijk gevonden en besproken oplossingen voor de gerezen problemen;
- dat agressieve kinderen leren te luisteren;
- dat agressieve kinderen leren zichzelf en elkaar te begrijpen;
- dat agressieve kinderen worden gestimuleerd om elkaar te helpen.
7. Goede sfeer tussen de leerkracht en het kind: Agressief gedrag kan hierdoor het best voorkomen worden. Het kind zal eerder bereid zijn om agressief gedrag achterwege te laten dan wanneer er geen goede verstandhouding is tussen de leerkracht en het kind. Een goede relatie is noodzakelijk om vertrouwen te krijgen in zijn eigen functioneren.
8. Een goede sfeer tussen leerkracht en de ouders: Dit is een preventie van agressief gedrag. De thuiswereld en schoolwereld moeten op elkaar aansluiten.

9 Gunstige klasomgeving: Dit bestaat uit:
- toevoegen van materialen waar het kind behoefte aan heeft;
- goed pedagogisch klimaat;
- duidelijkheid en structuur;
- goede begeleiding;
- vertrouwen en acceptatie van de leerkracht;
- open omgangstijl;
- veilige omgeving;
- stimuleren van zelfstandigheid;
- positief beïnvloeden van het zelfbeeld;
- voorbeeld gedrag van de leerkracht;
- rust in de klas in plaats van gejaagdheid en druk;
- consequent en duidelijk handelen;
- tevredenheid in plaats van ontevredenheid.

Het maken van een handelingsplan:

1. Signalering:Het kind vertoont te veel agressief gedrag, bijvoorbeeld schoppen, slaan;
2. Diagnose: Observatiegegevens interpreterenen handelingsplan maken;
3. De speciale spelbegeleiding: Werken met het handelingsplan en het bijhouden van het verloop van de begeleiding;
4. Evaluatie: Evaluatie van het handelingsplan.
In een handelingsplan moet de leerkracht nooit meer dan twee á drie problemen behandelen.

Aanpak in het algemeen:
* duidelijke vaste structuur, met vaste afspraken, vaste regels, waaraan iedereen zich moethouden, duidelijke strafmaatregelen bij het overtreden van regels;
* bij conflicten niet wachten tot het te laat is, onmiddelijk ingrijpen en maatregelen nemen;
* niet ingaan op uitdagend, conflicten uitlokkend agressief gedrag wanneer het kind het ergens niet mee eens is;
* zeer duidelijk laten merken wie er de baas is; niet onderhandelen met het kind.

De specifieke aanpak:
* veiligheid bieden door:
- preventief aanwezig zijn
- een relatie met het kind opbouwen door hem te laten voelen dat je hem graag mag, maar eerlijk en hard zijn wanneer het kind zichniet aan de regels houdt, daarbij niets door de vingers zien, want negeren is toestaan. Het kind wel laten merken dat je precies door hebt wat hij doet en duidelijk aangeven wanneer hij te ver gaat;
* veel gelegenheid geven terug te komen op gedrag, het kind laten inzien dat de reacties vanuit de omgeving weer reacties op zijn eigen gedrag zijn;
* het goede gedrag prijzen en aangeven waardoor het goed gaat, dus een duidelijke strategie van belonen en straffen;
* door een eenduidige en consequente aanpak het kind leren dat alle onderwijsgevenden in school te vertrouwen zijn.

Handelingssuggesties voor de leerkracht:

1. Schelden
A: Feed-back;
B: Positief stimuleren in positieve situaties: wanneer het kind niet scheldt;
C: Het kind de mogelijkheid geven de agressie te ontladen. Dit kan bijvoorbeeld in een actiespel: rondjes rennen, spelen met de watertafel, het kindmag een boze tekening maken;
D: De opdracht moet voor het kind niet te moeilijk zijn en aansluiten op zijn belevingswereld;
E: De leerkracht moet het kind structuur en duidelijkheid bieden, dit geldt ook voor de ouders;
F: Consequent zijn, dit geldt ook voor de ouders;
G: De leerkracht moet veiligheid, vertrouwen en een goed pedagogisch klimaat aan het kind bieden.

2. Slaan
Zie ook behandelingspunten 1. A,B,C,D,E,F,G
A: Het kind tegen een boksbal laten slaan, zodat het kind de agressie kan ontladen;
B: Het kind kan in de bouwhoek gaan timmeren; spijkers en hamer.

3. Schoppen
Zie ook behandelingspunten 1. A,B,C,D,E,F,G
A: Het kind zijn agressie laten uiten door het kind tegen een voetbal te laten trappen. Buiten of binnen in het speellokaal. Speel een partijtje voetbal.

4. Dreigen
Zie ook behandelingspunten 1. A,B,C,D,E,F,G
A: Speel een rollenspel met het kind; ga in op het gedrag van het kind. Misschien kan een ander kind meespelen. Dit kan bijvoorbeeld in de poppenhoek.
B: Speel een poppenkastspel, waarin het negatieve gedrag van het kind naar voren komt en wat voor effect dat gedrag heeft op het kind waar het gedrag op geprojecteerd wordt.

5. Met materiaal gooien
Zie ook behandelingspunten 1. A,B,C,D,E,F,G
A: Laat het kind met een bal gooien, buiten of in het speellokaal;
B: De opdracht of de spelsituatie moet niet te moeilijk zijn voor het kind, dit kan namelijk frustratie opleveren en daardoor kan een kind met materiaal gaan gooien.

6. Agressief praten
Zie ook handelingspunten 1 A,B,C,D,E,F,G en 4 A en B

7. Een kind overheersen
Zie ook behandelingspunten 1. A,B,C,D,E,F,G
A: Door middel van een rollenspel het kind laten voelen hoe het is om onderdrukt te worden. Het kind bewust maken van zijn gedrag

8. Een kind met opzet pijn doen
Zie ook behandelingspunten 1. A,B,C,D,E,F,G
A: Het kind een actiespel laten uitvoeren; schoppen tegen een bal ( zo hard mogelijk), door het speellokaal of buiten zo hard mogelijk rennen, slaan tegen de boksbal of timmeren in de bouwhoek.

9. Schreeuwen
Zie ook behandelingspunten 1. A,B,C,D,E,F,G en 8 A
A: Het kind tot rust laten komen door een verhaal voor te lezen, samen met een kind een prentenboek lezen, dat niet te druk geïllustreerd is.

10.Vechten
Zie ook behandelingspunten 1. A,B,C,D,E,F,G en 8 A en 9A

11. Te moeilijke opdracht
A: De opdracht aanpassen aan het niveau van het kind.
B: Het kind zijn sterke punten benadrukken. Laat het kind een opdracht uitvoeren waarvan je zeker bent dat het kind het aankan.
C:Korte opdrachten geven.

12. Een te onrustige spelsituatie
A: Een prikkelarme omgeving wat betreft beweging en geluid.
B: Gebruik maken van rustgevende materialen, bijvoorbeeld een verhaal voorlezen uit een prentenboek die niet te druk geïllustreerd is




Klik hier om naar de vorige pagina te gaan