De schaduw

Op zonnige dagen maakt elk voorwerp een schaduw. Een voorwerp tekent zo zijn eigen omtrek op de grond. Een schaduw draait, wordt eerst korter en dan langer in de loop van de dag. ’s Middags om 12 uur is onze schaduw kort en lijken we dwergen. De zon staat dan heel hoog. ’s Avonds, als de zon in het westen zakt, wordt onze schaduw langer en lijken we reuzen.

In de schaduw is het koeler dan in de zon. Voorwerpen die bestraald worden door de zon, kunnen een groter of kleiner deel van het licht absorberen. Het geabsorbeerde (opgenomen) licht verwarmt het voorwerp. Hoe donkerder een voorwerp, hoe meer licht het kan absorberen.

De temperatuur wordt altijd in de schaduw gemeten. In woestijnen kan die evengoed nog oplopen tot boven de vijftig graden. Maar in de volle zon is het dan nog veel heter.

Onweer

Na een erg warme dag is de lucht sterk verwarmd en daardoor lichter geworden. Daardoor kan de lucht wel tot 12 km hoogte stijgen. Hoog in de lucht is het koud. Denk maar aan sneeuw op de bergtoppen.

De waterdamp in de stijgende lucht koelt af en vormt kleine druppels. Zo ontstaan dikke wolken die de lucht donkergrijs maken. De warme, stijgende lucht wrijft langs de koude bovenlucht. Door deze beweging krijgen de wolken een grote elektrische lading. Tussen twee wolken of tussen een wolk en de aarde schieten vonken zigzaggend heen en weer: De bliksemschichten.

De kracht van de bliksem is verschrikkelijk. Dat is niet zo erg zolang hij in de lucht blijft. Maar als hij de aarde raakt, krijg je blikseminslag. De bliksem kan inslaan in huizen, bomen, auto’s, vliegtuigen en zelfs in het water. De bliksemafleider is een antenne die met de aarde is verbonden. Hij geleidt de elektriciteit van de bliksem naar de grond. Zo kan de bliksem niet in de huizen inslaan.

Als het bliksemt, hoor je tegelijkertijd een enorm lawaai; de donder. Als het onweer ver weg is, zie je toch onmiddellijk het licht van de bliksem, doordat licht zich heel snel verplaatst: 300.000 km per seconde! Het lawaai van de donder doet er veel langer over om onze oren te bereiken. Het geluid verplaatst zich maar met 330 meter per seconde.

Je kunt uitrekenen hoe ver weg de bliksem is. Vanaf het moment dat je in de lucht de bliksemflits ziet, tel je de seconden tot je de donder hoort. Dan vermenigvuldig je het aantal seconden met de snelheid van het geluid.

Voorbeeld: 10 seconden tussen bliksem en donder; 10 x 330 meter = 3300 meter. De bliksem was dus op 3300 meter of 3,3 km afstand.


Klik hier om naar de vorige pagina te gaan