Geschiedenis van de voeding:

In vogelvlucht naar de oertijd.

De vroege jager-verzamelaar at veel vis en wild maar ook groente.
Vanaf de periode die grofweg geschat wordt tussen 10.000 tot 20.000 jaar geleden ging de mens over tot een meer gevestigde woonplaats en werd landbouwer.
Het eten van wild en vis nam daardoor af. Graan werd een belangrijk product.
Uiteraard bleven er culturen waarin vis of vlees erg belangrijk bleef (Inu´t) en eveneens zijn er culturen geweest waarin granen van begin af aan een veel grotere rol gespeeld hebben (Maya),
maar voor een groot gedeelte van de mensheid geldt dit scenario.

Van 1747 tot 1960

Een mijlpaal wordt bereikt wanneer James Lind in 1747 ontdekt dat de tot dan toe onbekende stof vitamine C beschermt tegen scheurbuik.
Het duurde echter tot 1911 voor de term vitamines hun intrede deden.
In dat jaar ontdekte de Poolse chemicus Funk vitamines (toen nog ten onrechte aminen genoemd, maar niet alle vitamines zijn aminen).
Hij bewees dat kleine hoeveelheden van bepaalde stoffen werkzaam kunnen zijn in het behandelen of voorkomen van diverse soorten ziektes.
Wie de huidige discussie volgt begrijpt dat deze denkbeelden niet direct aanvaard werden en onderwerp zijn geweest voor felle discussies.

In het begin van de vorige eeuw startte het bedrijfsmatig produceren van voedsel.
Vooral in de Westerse wereld komt het voedsel sindsdien uit de fabrieken.
Een belangrijke stimulans daarin was het voortschrijdende inzicht in conserveer methodes.
Belangrijk om te vermelden is dat tussen 1854 en 1864 Louis Pasteur de basis legde voor de huidige levensmiddelenmicrobiologie.
Hij was daarin al voorafgegaan door Antoni van Leeuwenhoek die in 1683 onder de microscoop micro-organismen zichtbaar had gemaakt en
door Nicolaas Appert die in 1810 het conserveren van voedsel in potten had beschreven.
De Engelsman Durand nam in datzelfde jaar een patent op het inblikken van voedsel.
Vanaf dit moment tot aan 1900 worden diverse technieken van voedselconservering ontdekt en toegepast.
Door de diverse methodes van conserveren komt er ook een wijziging in ons voedselpatroon.
Om een voorbeeld te noemen:

Sojaolie is een olie die langer houdbaar is. Hierdoor wordt deze olie meer toegepast dan olie waarin de omega 3 vetzuren zitten.
De sojaolie consumptie is als gevolg daarvan in de Verenigde Staten, het duizendvoudige van 100 jaar geleden, namelijk 11 kg per persoon per jaar.
Het ontbreken van voldoende omega 3 vetzuren in de hedendaagse voeding en gevolgen hiervan, staan op dit moment volop in de belangstelling.
Vanaf de ontdekking van vitamines tot aan de jaren veertig van de vorige eeuw werden vitamines alleen gezien als middel om gebreksziekten te genezen.
In de jaren 1940 - 1950 kwam daarin een omslag.
Een aantal wetenschappers vroegen zich af of vitamines ook ingezet zouden kunnen worden voor, dan wel van belang zijn bij,
de verbetering van allerlei processen.
De ontdekking van DNA in 1944, het concept van moleculaire biologie (in 1945) en de vrije-radicalen theorie (in 1954) legden de basis voor de antioxidanten-werking van vitamines.
Oftewel:
vitamines als beschermers van het lichaam en de lichaamfuncties.
In 1956 werd door Roger Williams de aanzet gegeven tot de aanbevolen dagelijkse hoeveelheid, alhoewel deze er direct bij aantekende dat ieder mens verschillende behoeftes heeft en
dat alleen een optimaal en gevarieerd voedingspatroon een echte basis is.
Het probleem is namelijk dat we -eigenlijk nog steeds- niet weten of we wel alles weten wat er te weten valt.

Klik hier om naar de vorige pagina te gaan