Industrialisatie Maastricht

Voorwoord:

Dit is een beschrijving over het ontstaan en de ontwikkeling van de Maastrichtse industrie.
Maastricht is de stad waar ik ben geboren en getogen ťn een haat-liefde verhouding mee heb.
Als hoofdstad, met een gewenst cultureel aanzien en continue ontwikkeling hierin, ben en blijf ik van mening
om de burgers van Maastricht hier (nog meer) bij te betrekken.
En is het belangrijk om de voorgeschiedenis hierbij in ogenschouw te nemen en te houden!

Inhoud:

Voorwoord
Inhoudsopgave
Inleiding
Geschiedenis Maastricht
Ambachten en Nijverheid
Rol van de Fransen
Infrastructuur
Ontstaan & Ontwikkeling Industrie
Biografie Petrus Regout
Opkomst Petrus Regout
Officieel een eind aan Maastricht als vestingstad
De Woningnood
Industrie van de 20e eeuw
Slotconclusie
Bronvermelding

Inleiding:

Maastricht, een oude Romeinse stad met een rijke geschiedenis. De zuidelijkste post van Nederland, zwaar bevochten in oorlogen die er hebben gewoed. Een stad met voor die tijd ingenieuze verdedigingswerken als de omwalling en het tunnelstelsel onder de stad. Maastricht leek in die tijd meer op een groot fort dan een stad.
Typerend zijn ook de vele ambachtsgilden en de huisnijverheid. Maastricht is dan ook de eerste stad van Nederland die is geïndustrialiseerd. De stad van waar de fabrieken van Petrus Regout hebben gestaan, met afzet die over de gehele wereld reikte.
Hoe kwam het dat Maastricht zo snel en zo fors zich ontwikkelde als industriestad?
Dit is de hoofdvraag die in deze praktische opdracht onderzocht wordt

Korte Geschiedenis Maastricht

Maastricht ontstond rond de Maasovergang, die de Romeinen kenden als Mosae Trajectum. De brug te Maastricht was een vitale schakel in de Romeinse verbindingsroute tussen Gallië en Germanië, aangelegd onder keizer Augustus 27 voor - 14 na Chr. De rivier zelf vormde een tweede route en er ontstond bij de brug een kleine handelsnederzetting. Voor de tweede eeuw waren de Romeinse nederzettingen in de provincies Gallia en Germania niet versterkt. Als bescherming vertrouwde men op de verdedigingslinie langs de Rijn.
Maar toen de macht van het Romeinse rijk in de derde eeuw afnam vielen de Germaanse stammen uit het gebied ten oosten van de Rijn vaker aan, braken door de verdedigingen en plunderden nederzettingen in het achterland. Een aantal belangrijke steden legde daarop versterkingen aan om zich te kunnen verdedigen. Controle over de brug te Maastricht werd gezien als een factor van doorslaggevende betekenis en zo bouwde men ter bescherming van de oversteekplaats een castellum of fort, bestaande uit een muur met ronde torens en een droge gracht. Mede dankzij recente opgravingen kan men zich een beeld vormen van Romeins Maastricht. De brug die de Romeinen bouwden lag ten zuiden van de Sint Servaasbrug, ter hoogte van de Eksterstraat. Aan de Maastrichtse kant bevindt zich een aanzet van deze brug, in 1984 onthuld bij de opening van de Noorderbuur. Het castellum omsloot een kleine nederzetting op de westelijke oever bij de brug. Belangrijke openbare gebouwen en monumenten werden kennelijk opgetrokken uit steen, terwijl particuliere woningen gewoonlijk in vakwerk waren gebouwd. De belangrijkste Romeinse vondsten zijn te zien in het Bonnefantenmuseum.

Een verdeelde stad
Rond het jaar 402 trokken de Romeinse troepen terug naar Italië en kwam Maastricht onder het bestuur van de Franken. Veel is over deze tijd en de daarop volgende Karolingische periode niet bekend, maar tijdens de groei van het Karolingische rijk, dat in Aken zijn hoofdzetel had, bevond Maastricht zich in een gunstige positie dichtbij het machtscentrum.

Met name de Sint-Servaaskerk en -abdij profiteerden van deze nabijheid. Karel de Grote en zijn opvolgers verleenden gunsten aan de kerk en droegen bij aan haar groeiende rijkdom en invloed. Deze ontwikkelingen vonden plaats buiten het oude Romeinse hart van de stad, dat zich in het gebied van de latere Onze-Lieve-Vrouwekerk bevond. Eind zevende eeuw, begin achtste eeuw verplaatste bisschop Lambertus de zetel van het bisdom naar Luik, waarmee de Onze-Lieve-Vrouwe en de voormalige Romeinse gedeelten onder gezag kwamen van de bisschop van Luik, die jurisdictie en belastingrecht over dit gedeelte van de stad kreeg. Het Karolingische gedeelte -het Vrijthof en de Sint-Servaas- vormde de basis voor het gezag, dat tenslotte overging op de hertogen van Brabant. In de vijftiende eeuw werd Brabant opgeslokt door het zich uitbreidende Bourgondische rijk. Het huwelijk van Maria van Bourgondië met Maximiliaan van Oostenrijk in 1477 bracht de stad gedeeltelijk onder het gezag van de Habsburgers.
Toen de stad in 1632 door Frederik Hendrik op de Spanjaarden veroverd werd, gingen de nog altijd met de prinsbisschop van Luik gedeelde rechten over op de Staten-Generaal van de republiek der Verenigde Nederlanden. In 1284 werden met de Alde Caerte regels voor de jurisdictie over de stad vastgelegd. De prinsbisschop en de hertog werden gelijkwaardige Soevereinen van de onverdeelde stad. Zij bezaten rechtsmacht over respectievelijk de burgers van Luikse en van Brabantse nativiteit. Het gemeentebestuur diende een gelijk aantal vertegenwoordigers van beide partijen te bevatten. De munt, de muren en de poorten stonden onder gezamenlijk gezag, maar de rivier was verdeeld: stroomopwaarts vanaf de brug bezat de prinsbisschop van Luik autoriteit, stroomafwaarts de hertog van Brabant. Rivaliteit tussen beiden had eerder ertoe geleid, dat in 1229 de hertog de stad toestond een ommuring aan te leggen.

Tussen 1280 en 1298 werd een nieuwe stenen brug gebouwd. Een periode van welvaart volgde. Wellicht bracht de ondertekening van de Alde Caerte een gevoel van zekerheid en vertrouwen over de stad. De bevolking groeide, de handel nam een geweldige vlucht en de plaatselijke leer- en lakennijverheid bloeide. Voor 1350 werd een nieuwe omwalling aangelegd, die het omsloten gebied verdubbelde en nieuwe bouwwerkzaamheden mogelijk maakte. Ook de godsdienst kende gedurende deze jaren een bloeitijd. De twee oudste kerken in de stad- de Onze-Lieve-Vrouwe en de Sint-Servaas - werden verbouwd en vergroot, terwijl er tal van nieuwe, gotische kerken werden gebouwd: Sint-Jan, de Dominicanenkerk, de Minderbroederskerk, de Sint-Mathiaskerk, de Sint-Nicolaaskerk, de Kruisherenkerk, de Sint-Martinuskerk en de Sint-Antoniuskerk. Ook talrijke kloosters vestigden zich in de stad. De kerken trokken beeldhouwers aan, houtsnijders, schilders en handwerkslieden, die goud, zilver en ivoor bewerkten. De Maaslandse kunst bloeide. De welvaart nam in het begin van de zestiende eeuw enorm toe. De tweeherigheid duurde tot 1794, toen de Franse revolutionaire legers de stad innamen, daarbij een einde maakten aan het Ancien Régime, en Maastricht in het Departement van de Nedermaas inlijfden.

Oorlog
Na een hoogtepunt bereikt te hebben rond 1530, kreeg Maastricht een aantal harde klappen te verwerken. Internationale gebeurtenissen bepaalden steeds meer het lot van de stad. De Reformatie veroorzaakte godsdiensttwisten, terwijl de opstand van de noordelijke provincies tegen de Spaanse overheersing oorlog bracht. In 1576 brak er te Maastricht een opstand uit tegen de Spanjaarden maar het oproer werd niets ontziend neergeslagen. Een korte wapenstilstand tussen de opstandige provincies en de Spanjaarden veroorzaakte een tijdelijke terugtocht van de bezettingstroepen. Maar toen Maastricht weer naar de andere zijde overging, maakten de Spanjaarden zich op om voor eens en altijd het verzet te vernietigen.
Alexander Farnese, hertog van Parma, werd gezonden om de stad tot afschrikwekkend voorbeeld te stellen. In maart 1579 sloegen de Spaanse troepen het beleg voor Maastricht. Het garnizoen en de burgerbevolking hielden het vier maanden uit, hopend te worden ontzet door de legers van Willem van Oranje. Op 29 juni 1579 echter werd de stad na hevige gevechten rond de Brusselsepoort onder de voet gelopen. Spaanse troepen raasden moordend en plunderend door de straten. Plannen om burgers naar Wyck te evacueren en daar stand te houden liepen tragisch af, toen de houten overspanning aan de Wyckerzijde van de brug te vroeg vernietigd werd, waardoor veel mensen in de rivier vielen en verdronken. Het uiteindelijke verlies, dat de stad leed door deze tweede Spaanse Furie, bedroeg vele honderden doden op een geschatte bevolking van 10.000. Door de Staten-Generaal werden twee pogingen (1592 en 1594) gedaan om Maastricht weer in te nemen, maar beide mislukten. De stad bleef in Spaanse handen tot ze in 1632 heroverd werd door Frederik Hendrik. Zowel in 1579 als in 1632 maakten de legers gebruik van nieuwe aanvals- en verdedigingstechnieken. De belangrijkste nieuwigheid was het graven van tunnels onder de verdedigingswerken en het daar plaatsen van explosieven om bressen in de omwalling te slaan. De verdedigers reageerden met het uitgraven van mijngalerijen voor de ommuring, die ze opbliezen, zodra de vijand dicht genoeg genaderd was. Beide zijden maakten ook gebruik van luistergalerijen om elkaars bewegingen te volgen. Na 1632 werden de vestingwerken van Maastricht grondig gewijzigd. Een ring van nieuwe verdedigingswerken, de buitenwerken, werd aangelegd. Telkens wanneer de internationale spanning of oorlogsdreiging steeg, werden de vestingwerken haastig hersteld en gemoderniseerd, maar na ieder vredesverdrag raakten ze weer in verval.
Zo werden de verdedigingswerken na de Vrede van Munster in 1648 verwaarloosd, maar toen in 1672 een Franse invasie dreigde, werd het herstel snel ter hand genomen. Het jaar daarop werd Maastricht aangevallen. Het beleg werd geleid door Lodewijk XIV in eigen persoon teneinde zijn kunnen te tonen. Tijdens de bestorming van het hoornwerk bij de Tongersepoort sneuvelde de musketier d'Artagnan. De Fransen hielden de stad zes jaar bezet en leverden in die periode hun eigen bijdrage aan de verdedigingswerken rond de stad. Ze vertrokken in 1678, maar keerden zeventig jaar later -in 1748- tijdens de Oostenrijkse successieoorlog terug.

Vrede
Het Spaanse beleg en de inname van de stad in 1579 hadden Maastricht een zware slag toegebracht en het herstel daarna vorderde maar langzaam. De voornaamste rol van Maastricht werd nu die van garnizoensplaats. De overwinning van Frederik Hendrik had een zekere mate van stabiliteit gebracht en werd het begin van een periode, waarin protestanten en katholieken erin slaagden op redelijk harmonieuze wijze naast elkaar te leven. Zoals reeds gezegd, werd deze vrede periodiek onderbroken door oorlogen met de Fransen. Men deed alle moeite om de verdedigingswerken van de stad te moderniseren en er vonden ook veel particuliere bouwactiviteiten plaats. Geleidelijk verdween het middeleeuws aanzien van de stad: ruime stenen huizen vervingen woningen van hout en mergel, leien daken namen de plaats in van riet. Riolering en straatverlichting maakten de straten aangenamer en veiliger. Stadsverordeningen weerden sommige bedrijven teneinde brandgevaar tegen te gaan. Burgers werd niet langer toegestaan dieren te weiden of land te bewerken binnen de stadsmuren. Grote bouwprojecten werden ondernomen: het fraaie nieuwe stadhuis werd in 1662 opgeleverd, de achthoekige toren in 1684. Vier nieuwe classicistische en barokke kerken werden in deze periode gebouwd: de Augustijnen-, de Bonnefanten-, de Jezuïeten- en de tweede Minderbroederskerk. In de achttiende eeuw had men een passie voor alles, wat Frans was: toneel, literatuur, filosofie en architectuur hadden elk hun invloed op de stad. De beste weergave van de stad voor de Franse revolutie is de schitterende maquette, die in 1752 voor Lodewijk XV vervaardigd werd. Ieder gebouw is tot in details weergegeven. Een kopie van deze maquette is te bezichtigen in het Bonnefantenmuseum. De Franse revolutie van 1789 deed Europa op zijn grondvesten schudden. De schokgolven bereikten spoedig Maastricht, dat in 1794 ingenomen werd door de Franse generaal Kléber. De bezetting bracht een nieuwe politieke ideologie en een nieuwe regeringsstijl. De Fransen vaagden binnen een paar jaar eeuwenoude tradities weg, maakten een eind aan de tweeherigheid en sloten talrijke kerken en kloosters. De rijkdommen en bezittingen van de geestelijkheid werden in beslag genomen en veel kerkelijke gebouwen kregen publieke of militaire functies. Opgenomen in de Franse staat moest Maastricht de revolutionaire en de Napoleontische oorlogen mede financieren.

Ambachten en Nijverheid

Vroeger in de tijden van huisnijverheid en ambachten was Maastricht al een levendige stad voor handel. Er waren velen soorten ambachten die zich per ambacht verenigd hadden in een gilde. Een gilde bestond uit meerdere meesters van een bepaalde ambacht die meestal bij elkaar in dezelfde straat zaten. Zo had je bijvoorbeeld het goudsmedersgilde. Een gilde van meesters in het smeden van goud. Dit kun je nu nog zien als je in de binnenstad van Maastricht door de smedenstraat loopt. Op die manier zat de nijverheid van Maastricht in elkaar. Dit ging nog zo door totdat de Fransen kwamen.

Rol van de Fransen (1794-1815)

Veel veranderde toen de Fransen kwam in 1794. Ze maakten niet alleen een einde aan de twee herigheid van Maastricht, waarbij de stad ondergeschikt was aan zowel de bisschop van luik als de staten Generaal in Den Haag. Ook zorgde ze ervoor dat Maastricht niet langer in een verre uithoek van Nederland lag. Ze maakten de stad tot hoofdstad van het nieuwe departement Nedermaas. Dat omvatte zowel Belgisch als Nederlands Limburg en telde 250.000 inwoners.

Doordat ze de religieuze ordes de stad uitjoegen, kwamen veel gebouwen vrij voor andere bestemmingen. De begijnen moesten uit de Zwingelput (nu “studenten zaken”). Het Bonnefanten klooster (nu universiteitsbibliotheek) werd een kledingmagazijn. Het Franciscanenklooster (nu universitair bestuursgebouw) veranderde eerst in een tehuis voor armen en later een gevangenis.

Ook keken de Fransen anders tegen het fenomeen stad aan. Begrippen als inwoneraantal en verdedigbaarheid speelden voor hen minder grote rol. Economische bedrijvigheid, aansluiting op wegen en kanalen en de aanwezigheid van natuurlijke grondstoffen werden belangrijker. De Fransen waren al bedreven in het maken van kaarten en het bijhouden van allerlei statistieken over bijvoorbeeld economische bedrijvigheid en verspreiding van ziektes. Mede op basis daarvan ontwikkelde ze plannen om wegen aan te leggen en kanalen te graven.

Infrastructuur:

Begin 19e eeuw was de infrastructuur nog redelijk middeleeuws in Maastricht. Er waren geen auto’s, treinen of boten. De mensen vervoerde zichzelf of hun spullen in koetsen. Even later werden dat bakfietsen.

Wegennet;
Het wegennet in die tijd stelde ook niet veel voor voordat de Fransen met hun plannen kwamen. Er kwamen plannen voor 2 nieuwe wegen. De eerste moest van St-Truiden naar Wesel lopen via Tongeren, Maastricht (om de stad heen), Maaseik en Venlo. De tweede van Maastricht, via Gulpen en Vaals naar Aken. Uiteindelijk zijn stukje bij beetje de routes aangelegd die in 1824 helemaal voltooid was. In 1829 tot aan 1854 verbeterde men de verbindingen naar de hand van de ligging van de industrie.

Waterwegen;
Vanwege de extreem wisselende waterstanden was de Maas vaak onbevaarbaar, daarom dat in 1824 een begin was gemaakt aan een kanaal langs de rivier van Maastricht tot aan ’s Hertogenbosch. In 1826 zou het als Zuid-Willemsvaart voltooid worden. Met de aanleg van de Zuid-Willemsvaart kreeg Maastricht een echte haven, het speciaal uitgegraven Bassin aan het eind van de Boschstraat. Toen in 1850 de Belgische regering geld gereed maakte kwam er ook een kanaal van Maastricht tot aan luik. In 1920 vaarden ruim 20.000 schepen deze routes.
Trein;
Het eerste station was aan de St. Antoniuslaan dat pas in 1846 gereed was. In 1856 werd de eerste spoorbrug gerealiseerd. Het eerste Traject was in 1953, met Duitse deelnamen tot stand gekomen. Namelijk het Maastricht-Aachen traject. In 1861 kwam de verbinding Maastricht-Luik en 4 jaar later Maastricht-Venlo.

Luchtvaart;
In 1919 bereikte de nog jonge luchtvaart Maastricht. De N.V. Internationale luchtwegenvervoersonderneming wilde op de St. Pietersberg een luchtvaartterrein aanleggen maar de gemeente voelde daar niet voor. Met de komst van de avontuurlijke Fransman Duchereaux, die zich in 1921 op de Griend vestigde kreeg Maastricht toch nog een eigen vliegveldje. Pas na de 2e wereldoorlog kwam er een internationaal vliegveld dat nu heden Maastricht-Aachen Airport is.

Ontstaan & Ontwikkeling van de Industrie:

De arbeider:
Toen in 1794 de Fransen kwamen, maakten die een einde aan alle dwang van de ambachten. Zij werden kort en goed opgeheven. Voortaan kon iedereen die dat wilde een eigen bedrijf beginnen. Het gevolg was dat allerlei beunhazen schoon hun kans zagen, van het ambachtelijke werk weinig overbleef.
De door Fransen zo hooggeroemde vrijheid bracht voor de arbeider alleen maar ellende. De 19 eeuwse arbeider was niet meer dan een domme goedkope kracht. Door de snelle bevolkingstoename waren er zoveel arbeiders, dat de lonen vanwege het grote aanbod laag konden blijven. Bovendien waren arbeiders makkelijk te vervangen, omdat zij in de opkomende fabrieken niet veel ambachtskennis nodig hadden.
De Fransen brachten ook een middel mee om arbeiders in bedwang te houden. Wie werk wilde hebben kreeg het zogenaamde livret, een werkmansboekje. Daarin tekende de baas aan of de arbeider goed of minder goed aan zijn werk voldeed. Zonder dat boekje met een goede aantekening was het niet mogelijk voor de werknemer van baan te veranderen. Een arbeider werd op die manier min of meer de slaaf van zijn baas.

De eerste fabrieken:
Al in 1775 had de drukker Lekens net buiten de Helpoort de eerste Maastrichtse fabriek gesticht, de papierfabriek Het Ancker. De vrijheid van ondernemen die de Fransen in 1794 brachten, deed anderen volgen. Gunstige factoren daarvoor waren de vele grote gebouwen die leeg stonden en het voorhanden zijn van goedkope arbeidskrachten. De vele kloosters in de stad waren in 1797 opgeheven en ontstonden voor een appel en een ei te koop. De uit Suriname afkomstige fabrikant Rigano begon inde kloostergebouwen van de Calvariënberg een katoenfabriek.
In 1799 kwam er een lantaarnfabriek in de kapel van het complex. Zij maakten een uitstekend product, dat in Parijs en de Hollandse steden de straten verlichtte. Toen omstreeks 1840 de hoofdstad een grote bestelling plaatste, werden de lantaarnpalen via de Zuid-Willemsvaart verscheept.
In en na de Franse tijd bleef het aanvankelijk kwakkelen met de industrie in Maastricht: er waren te weinig geschoolde arbeiders en er was te weinig interesse om kapitaal in fabrieken te steken. In 1816 begon de actieve en inventieve Maastrichtenaar Hanckar een lakenfabriek aan de Vijf Koppen en later in een fabrieksgebouw op de Bonnefantenbleek bij de waterpoort De Reek, waar nu het conservatorium staat.
Omstreeks 1833 was de fabriek in volle fleur; aan zestien weefgetouwen werkten veertig werklieden. Drijfkracht leverde eerst het water aan de Jeker en daarna een in 1832 geplaatste stoommachine, de allereerste in Maastricht. Hanckar bezat ook nog een volmolen in het Maastrichtse gehucht Weert, die na 1840 werd omgebouwd tot papierfabriek van Thielens en Schrammen. Het zwakke punt van Hanckar’s activiteiten was zijn te beperkte afzetgebeid. De enige grote afnemer was het garnizoen van de vesting Maastricht. Tijdens de Belgische opstand (1830-1839) was dat garnizoen zeer groot en dus floreerden de zaken. Daarna ging het bergaf, ook al omdat een brand in 1840 Hankar’s hele fabriek in de as legde. De fabriek werd vlot herbouwd, maar de oude bloei kwam niet terug. In Maastricht ging het in de jaren 40 van de 19e eeuw toch al slecht en dat deed ook Hanckar geen goed. Na een opleving in de jaren vijftig en zestig werd de fabriek in 1869 geliquideerd.

Arbeidsverhoudingen:
Een fabriek als die van Hanckar was geen groot bedrijf. Dat was in de eerste helft van de 19e eeuw zelden het geval in Maastricht. In 1816 telde de stad met haar 18.000 inwoners 252 bedrijven en bedrijfjes met in totaal 1.283 arbeiders. Daarvan werkten er 300 in een fabriek van militaire uitrustingstukken. In die ene grote fabriek en een viertal drukkerijen kregen arbeiders toen het hoogste loon: 94 cent. Het slechts betaald kregen de thuiswerkende kousenbreiers: 28.5 cent per uur.
Ook in latere jaren bleven de fabrieken over het algemeen klein. In 1817 stichtte de gebroeders Phillips in de Wolfstraat een fabriek van snuiftabak, doe ruim een eeuw later werd voortgezet als tabaksfabriek aan de Tongerseweg waar nu winkelcentrum Carré ligt. In 1834 begon Cartissier in Wyck een fabriek van bekleurd glas. Claereboets maakte behangpapier op een binnenterrein aan de brusselsestraat waar nu het LGOG en statschutterij gevestigd zijn. De ijzerfabriek Van Oppen werd in 1858 gebouwd op grond van de zusters Onder de Bogen aan de Kommel, ongeveer ter hoogte van de bushalte. Aan de grote looierstraat stond de fabriek van Coenegrachts die spijkers, zeep en zout produceerde en op 2 september 1868 volledig uitbrandde. Het waren over de gehele stad verspreid liggende kleine ondernemingen. Ook de vele brouwerijen bleven in de 19e eeuw klein. Rond 1900 waren er niet minder dan 36 brouwers actief in Maastricht.
De arbeidsverhoudingen waren patriarchaal. In het grootste deel van de 19e eeuw waren de standsverschillen nog niet zo groot, omdat rijk en arm in de stad nog door elkaar woonden. De baas en dikwijls ook zijn familieleden werkten gewoon mee in het bedrijf. De werktijden waren lang, maar dat was overal en in alle bedrijfstakken het geval, bijv. ook de ambtenaren op de bureaus van gemeente en provincie. Het arbeidstempo lag bovendien niet hoog, er werd niet gejakkerd. Maandag vieren was populair. Wie op die dag niet verscheen, verloor natuurlijk zijn loon, maar velen moeten dat voor lief hebben genomen.

P.L. Regout

Petrus Laurentius Regout (1801-1878)
Werkzaam in de glas- en aardewerkwinkel van zijn moeder 1814-1834, oprichter van de kristal- en aardewerkfabriek Sphinx 1834, enige directeur na overlijden van moeder 1835-1870; president-directeur in associatie met zijn zonen 1870-1878; medevennoot van de Nieuwe Nederlandsche Spijkerfabriek van P. en T. Regout en J.G. Lambriex te Maastricht 1834-1843 en tal van nevenbedrijven.
Opleiding
Gymnasium tot 1814.
Functies in het bedrijfsleven
Directeur van een wapenfabriek 1842; oprichter en president-commissaris van de Aken-Maastrichtsche Spoorwegmaatschappij 1845-1851; oprichter van de Koninklijke Papierfabriek onder de firma Lhoest, Lammens & Co. 1846; oprichter eerste stoombootdienst op de Maas; oprichter van een gasfabriek te Maastricht 1850; lid van de Kamer van Koophandel te Maastricht; voorzitter van de Vereeniging van Nederlandsche Industriëlen 1861-1865.
Maatschappelijke functies
Lid van de Eerste Kamer 1849-1859; lid Gemeenteraad van Maastricht 1851-1853; publicist en pleitbezorger van Limburg

Opkomst Petrus Regout:

In die ongunstige jaren van beleg (1830-1839), toen Maastricht als een eiland temidden van Belgisch gebied lag, ontstond in de stad een industrie die een eeuw lang het industriële klimaat zou bepalen: Glas en Aardewerkfabriek van Petrus (Pie) Regout (1801-1878), sinds 1899 een NV. Onder de naam Sphinx. Regout dreef met zijn moeder een winkel in glas en aardewerk, maar door de afsluiting van de stad had hij moeilijkheden met de invoer van zijn waren uit België.
In 1834 besloot hij daarom voor zichzelf te beginnen met de fabricage van glas en in 1836 van Aardewerk. Vanzelfsprekend op kleine schaal, zoals alle Maastrichtse bedrijven in die tijd, maar Regout had een gat in de markt ontdekt en zijn onderneming groeide voorspoedig. In 1851 had hij al 665 arbeiders in dienst in zijn fabriek aan de Boschstraat. Daar kocht hij in 1863 voor 50.000 gulden de terreinen en gebouwen van het voormalige klooster van de zusters penitenten, zodat hij mogelijkheden kreeg om zijn fabriek uit te breiden. Regout was niet alleen een actief, maar ook een inventief man. Tal van initiatieven zijn van hem uitgegaan. Hij liet in zijn fabriek waterleidingen aanleggen, richtte een bedrijfsbrandweer op en een eigen gasfabriek. Hij pleitte voor de aanleg van een spoorlijn naar Aken met een station dat centraal gelegen moest zijn aan de Boschpoort en niet ver weg in Wyck, waar de industrie er niets aan had. Natuurlijk waren de voorstellen van Regout niet alleen ingegeven door de liefde voor de stad, ook eigenbelang speelde een rol. De stad had er echter grotelijks profijt van kunnen trekken, bijv. van zijn voorstel om gas aan de stad te leveren en water uit zijn waterleiding.

De grote vijand van Regout was burgemeester Pyls. Als het een idee van Regout was, zei de gemeente op voorhand al NEE! De gemeente bouwde liever voor 44.500 gelden een eigen gasfabriek. Geld dat de gemeente ook beter had kunnen gebruiken. Regout was in alles een man van zijn tijd: een zelfbewuste, geslaagde burgerman, conservatief, zeer gehecht aan de paus en koning, wat plat burgerlijk van smaak en patriarchaal in de omgang met zijn arbeiders. Hij richtte voor hen een ziekenkas en harmonie op en zijn gouden huwelijksdag in 1975 mocht het gehele personeel meevieren tijdens een dagje Vaeshartelt, het buiten onder Weert/Itteren waar de familie woonde.

In de bedrijfsvoering van zijn fabriek was hij, zoals al zijn tijdgenoten-ondernemers, eveneens patriarchaal. Dat is hem door het nageslagt hoogst kwalijk genomen. Tot kort geleden werd hij gezien als de oorzaak van alle sociale kwalen die Maastricht in de 19e eeuw teisterden: korte levensverwachtingen, lage lonen, lange arbeidstijd, slechte werkomgeving, slechte huisvesting. Dat heel geïndustrialiseerd West-Europa in die dagen onder dezelfde problemen leed, zagen zijn critici over het hoofd.
Regout stak zijn geld en werkkracht niet alleen in de productie van glas, porselein en aardewerk. Samen met anderen vatte hij in 1834 de fabricage van spijkers op in de latere spijkerfabriek Thomas Regout, in 1842 maakten hij ook geweren. Zijn zonen werden de stichters van bedrijven als de porseleinfabriek Louis Regout (1883), die thans MOSA heet en van de nu niet meer bestaande fabriek in Limmel(1891). Een oude zakenvriend van Regout ,Wijnand Nicolaas Clermont, was de mede oprichter van de gewerenfabriek. Later kregen de heren ruzie en werden bittere concurrenten.
Clermont richtte in 1851 samen met zijn zwager Charles Chainaye en grotendeels Belgisch kapitaal de Société Céramique op, een aardewerkfabriek die bij Regout geschoolde arbeiders wegkocht door hogere lonen te bieden. In 1855 werkten op De Sjerremik, zoals het bedrijf in het Maastrichts heette, al 242 man. Na elkaar een eeuw lang beconcurreerd te hebben, gingen de fabriek van Regout en de Société Céramique in 1958 een fusie aan. Dat leidde in 1963 tot het einde van de aardewerkproductie op het Céramique-terrein. Thans de rest van het machtige fabriekscomplex ten zuiden van het waterpoortje in Wyck nog slechts de villa van de directeur, de Wiebengahal bij het Bonnefantenmuseum en de bordenfabriek. In dit stadsdeel was gedurende de periode 1853-1867 nog een aardewerk gevestigd, nl. die van de veelzijdige ondernemer N.A. Bosch.

Officieel een eind aan Maastricht als Vestingstad.

Maastricht ontwikkelde zich tot de eerste industrie stad van Nederland. Hierdoor ontstond weer een chronisch ruimtegebrek binnen de stadsmuren. De muren stonden een verdere ontwikkeling van de stad ernstig in de weg. In de jaren 1867-1868 vond de grote ontmanteling plaats van de verdedigingswerken, dit gebeurde om plaats te maken voor nieuwe ontwikkelingen en uitbreidingen. Gelukkig zag men op tijd de grote historische waarde van de stadsomwalling in zodat een gedeelte bespaard bleef van de sloop.

De woningnood:

De grote toestroom van arbeiders naar Maastricht deed de stad aan het begin van de 20e eeuw uit haar voegen barsten. In 1800 telde de stad 18.000 inwoners, 1850 waren dat er 25.000 en tijdens WO I 40.000.
Dat alles bij een gelijkblijvende oppervlakte van de gemeente binnen de middeleeuwse wallen en nauwelijks nieuwbouw van woningen. De van elders in Europa bekende oplossing was grotere huizen opdelen in twee- en eenkamerwoningen: in grotere tuinen achter de bestaande huizen werd een 2e huis gebouwd, dat eveneens werd volgestouwd met mensen. Maar het was allemaal bij lange na niet genoeg en leidde bovendien tot sloppenvorming.
De leefomstandigheden waren vaak zo érbarmelijk, dat Lhoest constateerde dat arbeiders in de fabriek een beter onderdak vonden dan thuis.
De gemeente deed niets aan de woningnood en daarom namen de fabrikanten zelf het heft in handen. Regout begon als eerste. Nadat hij aan het Lindenkruis leegstaande garnizoenbarakken had opgekocht en omgevormd tot arbeiderswoningen, bouwde hij in 1863 naar Frans voorbeeld een ‘cité ouvrière’.
Deze voor zijn tijd uiterst moderne huurkazerne was zeven verdiepingen hoog en stond in de Sint-antoniuslaan. De ‘Groete Bouw’ heeft tot 1938 dienst gedaan, veel te lang om zijn aanvankelijk goede naam te behouden. De misstanden die later ontstonden, zijn de initiatiefnemer echter niet aan te rekenen. Regout was met Lhoest, Marres en Rutten in 1877 ook medeoprichter van de Maastrichtse Bouwvereniging, een particuliere organisatie die woningen voor arbeiders bouwde aan de Herbenusstraat, het Lindenkruis en de Statensingel. Na de eeuw wisseling werd tussen 1902 en 1929 een vijftal woningcorporaties opgericht, waarvan Sint Servatius (1902) en Beter Wonen (1915) de eerste waren.

Industrie in de 20e eeuw:

Tot de eerste wereldoorlog ging het de grote industrieën voor de wind. Tijdens de oorlog werden zij afgesneden van het buitenland. De import van grondstoffen werd heel moeilijk en de export viel weg. Daarna is het eigenlijk decennia lang niet meer goed gekomen, ondanks een korte opleving in de jaren twintig. Spoedig volgde immers in 1929 de grote wereldcrisis en in 1940 de tweede wereldoorlog. De werkloosheid steeg met ongekende hoogten: in 1938 liefst 18% van de gehele beroepsbevolking, bij een landelijk gemiddelde van 4%.
Daar waren twee oorzaken voor aan te wijzen. De industrie had een zeer eenzijdig karakter, zij was uitsluitend gericht op massaproductie. De arbeiders waren te weinig geschoold om meer differentiatie in het productenpakket te kunnen aanbrengen. Nieuwe grote industrieën in Maastricht, zoals Zinkwit (1879), de cementfabriek ENCI (1922), de rubberfabriek Ceylon (1939), het waren allemaal producenten van massagoed. Zij konden de in de jaren twintig met veertig procent gedaalde werkgelegenheid niet compenseren. Bovendien hoefde er maar een kleine verstoring van de wereldmarkt te komen en een hele bedrijfstak zakte weg door overproductie, kortere werktijden, sluiting zelfs.
Na de tweede wereldoorlog is daar langzamerhand verbetering in gekomen. Door allerlei oorzaken nam de betekenis van de grote industrie in Maastricht af en daalde het aantal ongeschoolde fabrieksarbeiders. De in de oorlog weggebombardeerde Zinkwit in Limmel kwam zelfs helemaal niet meer terug. De scholing van de aangroeiende bevolking werd aanzienlijk beter en opende de mogelijkheid steeds meet werk te scheppen in de dienstensector, vooral in de horeca en het toerisme.

Slotconclusie:

· De Franssen hebben de Maastrichtse samenleving compleet veranderd. Zij hadden een meer commerciële manier van besturen. Economische bedrijvigheid en infrastructuur waren voor de Franssen het sleutelwoord.
· Infrastructuur; waar de Franssen mee begonnen waren hebben de latere bestuurders voortgezet. Ik heb vernomen dat iedere keer als er een nieuw weg, water of spoortraject gerealiseerd was, weer een nieuwe golf van industrie kwam.
· Investeerders als Petrus Regout die door hun actieve inzet en inventief karakter een grootse onderneming hebben opgezet. Zonder deze ondernemers was Maastricht niet zoals Maastricht nu is.
· Ontmanteling van de verdedigingswerken. Door ruimtegebrek liep de groei van de industrie en woningbouw vast. De afbraak van de walmuur is dan ook cruciaal geweest om de industrie verder te kunnen bevorderen.
· Verder hebben economische aspecten natuurlijk ook een grote rol gespeeld. Een voorbeeld is de lage lonen, die zorgde voor een goede concurrentiepositie.

Dit zijn de hoofdoorzaken die ervoor gezorgd hebben dat de industrie in Maastricht zo snel en fors verliep.

Bronvermelding:

· Maastrichtse planologie 19e en 20e eeuw
· Sphinx & Ceramique 100
· Historische en Heemkundige studies Maastricht
· Internet

Klik hier om naar de vorige pagina te gaan