De steeds vorderende ontwikkeling in het leesproces.

Er wordt gesproken van 'leesontwikkeling' bij de voortgang in het technisch lezen, maar ook bij een zich ontwikkelende belangstelling in verschillende genres of bij het volgen van de leesontwikkeling van een individueel kind.

Teksten

De leesontwikkeling van kinderen kan op verschillende manieren worden weergegeven. Zo worden in verschillende leestheorieën vaak de opeenvolgende stappen beschreven die een leerling doorloopt tot het moment dat hij in staat is tekst te decoderen.

 

In het AVI-systeem wordt de technische leesontwikkeling beschreven op basis van het al dan niet kunnen lezen van in technisch opzicht in moeilijkheidsgraad oplopende teksten.

 

In L. Verhoeven (1994) wordt een overzicht gegeven van de vroege leesontwikkeling (kleuters/groep 3). Dit model is ook terug te vinden in de tussendoelen beginnende geletterdheid:

 

Fase 1: Herkenning van 'bekende woorden'
Fase 2: Woordbeelden vergelijken
Fase 3: Nieuwe woorden lezen


Jeanne Chall geeft de leesontwikkeling (gecombineerd technisch en inhoudelijke belangstelling) weer in 6 fasen:
- Stadium 0: Voor het lezen, pseudo-lezen (6 mnd-6 jaar)
- Stadium 1: Aanvankelijk lezen en decoderen (6-7 jaar)
- Stadium 2: Automatiseren en vloeiend leren lezen (7-8 jaar)
- Stadium 3: Lezen om iets nieuws te leren
- Stadium 4/5: 14-17 jaar en volwassen lezen: verbreding en verdieping van de leesvaardigheid.

 

In 1926 onderscheidde Charlotte Bühler vijf stadia in de leesontwikkeling (gericht op hun belangstelling op bepaalde inhouden) van kinderen, gebaseerd op leeftijd:

 

De Piet de Smeerpoets-fase (2-4 jaar) (gebeurtenissen dagelijkse omgeving)
De Sprookjesleeftijd (4-8/10 jaar) (fantastische verhalen)
Robinson-leeftijd (9-11/12) (realistische verhalen)
Heldenleeftijd (12-15 jaar)
Lyrische romanleeftijd (15-20 jaar)

Op deze indeling kwam nogal wat kritiek. Zo zou ze voorbij gaan aan het feit dat zowel kinderen als de moeilijkheidsgraad van teksten verschillen.
Bovendien richtte Bühler zich op een bepaalde sociale laag en ging ze uit van dagboekverslagen. De onderwerpen en tekstsoorten zijn nogal eenzijdig.
Het op grote schaal kijken naar de televisie en de populariteit van stripverhalen bijvoorbeeld heeft het leesgedrag van kinderen inmiddels ingrijpend veranderd.

 

De jeugdbibliotheek hanteert een eigen indeling in A, B en C-boeken. Criteria zijn de technische moeilijkheidsgraad van de boeken en het feit of de emotionele inhoud past bij de leeftijd van de kinderen (A = 6-8, B = 9-10, C = 11 en ouder?).

 

Jan van Coillie heeft in zijn boek Leesbeesten en boekenfeesten (1999) geprobeerd verschillende modellen te koppelen in een uitgebreid overzicht van de leesontwikkeling gebaseerd op drie vragen: Wat kunnen lezers op een bepaalde leeftijd aan? Wat boeit lezers op een bepaalde leeftijd en hoe spelen boeken daarop in? Hoe stimuleren boeken de mentale ontwikkeling en de persoonlijkheidsontwikkeling?

Vervolgens gaat hij uit van de zuigelingenfase, de peuterfase, de kleuterfase, de schoolkindfase en de adolescentie.

 

Een andere invulling van het begrip leesontwikkeling is de leesontwikkeling van individuele kinderen, door henzelf en/of door de leerkracht weergegeven. Dat kan door in de klas gebruik te maken van een boeken- of leesschrift of
van een boekenlijst waarop kinderen bijhouden welke boeken ze hebben gelezen.

Zie ook

Beginnende geletterdheid,      Schrijfontwikkeling,      Tussendoelen beginnende geletterdheid,      Zelfontdekkend lezen.

Boeken

  • Verhoeven, L. (1992): Handboek lees- en schrijfdidactiek, Functionele geletterdheid in basis- en voortgezet onderwijs. Lisse: Swets & Zeitlinger BV.

Artikelen

  • Jos Walta (1980): Open boek Leesontwikkeling. Jeugd in school en wereld, 1980/01, pag. 38-39


Klik hier om naar de vorige pagina te gaan