Koning Lollie in de zon


Het is prachtig weer.
'We gaan naar het strand', zegt de koning.
En daar is de lakei met een mand vol lekkers, een schep, een bal,
een handdoek, een zwembroek voor de koning en een bikini voor de koningin.
In de koets zonder dak rijden ze naar het strand.
De koningin doet snel haar bikini aan en springt in de zee.
'Brrrr, wat koud', gilt ze hard.
Ze rent er tien keer in en uit.
En dan is het lekker.
Ze golft op en neer.

De koning zit in het zand met zijn schep.
Hij maakt een groot zandkasteel.
De koning houdt veel van kastelen.
Deze krijgt vijf torens en water eromheen.
In zijn mond heeft de koning een lollie.
Door het harde graven, valt de lollie uit zijn mond.
Zomaar in het zand.
Die stopt hij niet meer in zijn mond.
Dat smaakt eng.
Vlug pakt hij een nieuwe.

De koningin komt weer uit het water.
Ze ziet een kasteel met vijf torens.
Maar ook ziet ze vijf lollies met zand eraan.
'Spoel ze maar af', zegt de koningin.
'Daar is het water'.
De koning loopt naar de zee en doet de lollies in het water.
Dan steekt hij ze alle vijf in zijn mond.
'Bah, dat smaakt vies!'
'Heel zout'.

De koning zit naast zijn kasteel.
Hij is moe van het graven.
De zon schijnt op zijn hoofd.
De koning verveelt zich en hij heeft het warm.
Hij weet niet wat hij moet doen.

1
'Ik verveel me zo', zegt de koning.
'Ik wil een spelletje doen'.
'We kunnen een spelletje met de zon doen', zegt de koningin.
'We doen wie de langste schaduw kan maken'.
De koningin gaat op haar tenen staan.
De koning doet zijn armen in de lucht.
Dan is hij langer.
De koningin pakt de schep.
Zij wint.
Maar dan springt de koning op zijn kasteel.
Zomaar op de vijfde toren.
Nu is hij nog groter dan de koningin.
En ook de schaduw is lang en dun.
Allebei moeten ze lachen om de dunne schaduw.
De koning valt om van het lachen.
Bovenop de koningin.
Nu moeten ze nog harder lachen.
De schaduw is nu heel erg dik.

Ze spelen tot de zon gaat slapen.
Dan rijden ze in de koets zonder dak naar huis.
Niemand wil er nog koken.
'Bij een leuke dag hoort patat', zegt de koning.
En dus eten ze heel veel patat.
Lange en korte, dikke en dunne.

2
'Je moet gaan zwemmen', zegt de koningin.
De koning doet zijn zwembroek aan.
Zijn kroon houdt hij op.
Anders zie je niet dat hij een koning is.
Hij stopt zijn teen in het water.
'Brrrr, veel te koud', roept hij.
'Je moet erin rennen', roept de koningin.
En daar komt ze al aan.
Ze rent de koning zomaar voorbij het water in.
Dan gaat de koning ook.
Hij neemt een lange aanloop.
'Plons'.
Koning Lollie ligt in de zee.
De koningin spettert de koning nat.
En ze spelen met de bal.

Na het zwemmen liggen ze op het zand.
Het zand is warm.
Maar de koning heeft het koud.
Dat komt van zijn natte buik.
'Even blijven liggen', zegt de koningin.
'De zon maakt ons lekker warm'.
De zon schijnt heel hard.
De koning wordt droog.
En dan lekker warm.
Steeds warmer.
'Ik heb het zo heet', zucht de koning.
'Dan moet je gaan zwemmen', zegt de koningin.
'Wie het eerst in het water is', roept de koning.

3
De koning staat op en loopt naar de rand van de zee.
Met zijn voeten maakt hij kuiltjes in het natte zand.
Steeds als er een golf komt, rent hij snel terug.
Dat is een leuk spel.
Dan komt er opeens een hele grote golf.
De broek en de mantel van de koning worden helemaal nat.
Vlug gaat hij terug naar de koningin.
Daar doet de koning zijn broek en mantel uit.
En zijn zwembroek aan.
De koning stopt drie lollies in zijn mond.
Dat is om bij te komen van de schrik.
Als de lollies op zijn, voelt de koning aan zijn broek.
Die is al helemaal droog.
Dat komt van de zon.
Maar de koning heeft geen zin meer om zijn broek en mantel aan te doen.
De hele dag blijft hij in zijn zwembroek op het strand.


Klik hier om naar de vorige pagina te gaan