Het Dinghuis


De straten hier heten Kleine Staat en Grote Staat. Het woord 'Staat', betekende: 'daar waar het stedelijk gezag gevestigd was'. Op de hoek van de Kleine Staat en de Grote Staat ligt het Dinghuis. De naam komt van het woord 'dingen' dat 'rechtspreken' betekent. Ook nu spreken we nog over een 'geding'.

Het gebouw steekt hoog boven de omliggende panden en stamt uit 1470, toen het zijn huidige aanzien kreeg met de gotische voorgevel van Naamse steen en mergel. Voor die tijd lag hier ook een gebouw dat als gerechtshof dienst deed, 'de Mey'.

Tot halverwege de 17e eeuw waren de gerechtshoven van de twee heren van Maastricht in het Dinghuis gevestigd. Het Dinghuis lag middenin het bestuurlijk centrum van de stad. Maastricht werd tot aan de Franse Tijd bestuurd door twee heren: de hertog van Brabant en de prins-bisschop van Luik.

Tijdens de Tweeherigheid waren er ook 2 hooggerechten: het Brabantse en het Luikse. Beide zetelden in het Dinghuis. Voor kleinere zaken en minder zware delicten moest je naar het 'laaggerecht', de Lanscroon, dat gezamenlijk Luiks-Brabants was. De Lanscroon bevond zich 50 meter verderop, in de Grote Staat.

In de gevel van het warenhuis van Vroom & Dreesman is de gevelsteen van de Lanscroon nog altijd te zien. Op de gevelsteen staat een kroon die soevereiniteit symboliseert, en twee lansen, die naar de Tweeherigheid verwijzen. De Hooggerechten van het Dinghuis hadden beide een hoogschout en zeven schepenen.

De kelder van het Dinghuis werd in die tijd gebruikt als martelkamer en de zolder als gevangenis.

De ramen zijn gedecoreerd met drie symbolische wapenschilden: dat van de hertog van Brabant, het prinsbisdom Luik én van de stad Maastricht. Het Dinghuis werd door de gewone Maastrichtenaar beschouwd als het stadhuis.

De functie van het Dinghuis als gerechtshof werd opgeheven toen in 1664 op de Markt het nieuwe stadhuis werd geopend. Daar werden ook de beide gerechtshoven ondergebracht. Het Dinghuis heeft sindsdien heel veel verschillende bestemmingen gehad. Aan de hoogte van het dak met het torentje en de centrale ligging is te zien waarom het gebouw bijzonder geschikt was als uitkijkpost in oorlogstijd en als plaats voor de brandwacht.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog had de luchtbeschermingsdienst zijn zetel in het Dinghuis. Vlak voor de oorlog werd er op de eerste verdieping een betonnen vloer aangelegd als bescherming tegen bommen. Maar die vloer zorgde ervoor dat het gebouw ging verzakken. In 1968 werd het Dinghuis mede daarom gesloten voor een ingrijpende restauratie. Het poppentheater van Pieke Dassen, 'De Poesjenellenkelder' was sinds 1953 in de kelder gevestigd en moest de hierdoor deuren sluiten.

Pas in 1984 was de restauratie klaar en sindsdien is de VVV er gevestigd. Opvallend aan het gebouw is de robuuste buitentrap met klein bordes. Deze werd pas in 1912 aan de gevel toegevoegd. Tot die tijd was de ingang gewoon op de begane grond.

De klok in 't timpaan was al in 1470 in gebruik als stedelijke 'oerclock'. Wanneer het uurwerk, dat maar één wijzer heeft, precies werd geplaatst is niet bekend.

De zijgevel van het gebouw is te zien vanuit de Jodenstraat en is opgetrokken in traditionele vakwerkbouw. Het vakwerk was aanvankelijk opgevuld met leem. In het proces van 'verstening' van de stad werd de leemlaag vervangen door baksteen. Bij het Dinghuis gebeurde dit pas aan het einde van de 17e eeuw. Boven de deur in de zijgevel is het stadswapen van Maastricht te zien en een jaarsteen uit 1749. Ook in dat jaar werden herstelwerkzaamheden voltooid.



Klik hier om naar de vorige pagina te gaan